img Herfsttij der Middeleeuwen  /  Chapter 3 DE HELDENDROOM | 18.75%
Download App
Reading History

Chapter 3 DE HELDENDROOM

Word Count: 21674    |    Released on: 06/12/2017

ij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd Middeleeuwen en riddert

oren van staat en maatschappij de handelsmacht der burgerijen en de daarop berustende geldmacht der vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en terecht, om veel meer naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het opkomende kapitalisme en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die immers, hier meer daar minder, overal reeds "gefnuikt" was. De geschiedvorsching zelf heeft zich sedert de dagen der rom

laag geschat. Zij zelf zien niet, dat de werkelijke beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders lagen dan in het leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal men zeggen: de fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek, die hun voorstelling zonder kritiek volgde, terwijl de moderne geschiedvorsching de ware verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven aan

t de indeeling der maatschappij in drie standen een in twaalf kan voorkomen.[143] Want stand is staat, "estat", of "ordo"; er ligt de gedachte in van een door God gewilde wezenlijkheid. De woorden "estat" en "ordre" dekken in de Middeleeuwen een groot aantal van menschelijke groepeeringen, die voor ons begrip zeer ongelijksoortig zijn: de standen in onzen zin, de beroepen, den huwelijken staat naast den maagdelijken, den staat van zondigheid "estat de péchié", de vier "estats de corps et

zijn schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid, het verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het ideale beeld ook maar eenigszins prijs te geven; de zonden

sgedachte, de maatschappij van zijn dagen ziet. Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in zijn Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor

en den anderen een spiegel te zijn. De hoogste taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van het geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van het gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waa

atrici?r, die den adel zelf van zijn plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend aanvulde met het bloed en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire type evenmin plaats als de figuur van den strijdbaren gildebroeder en zijn vrijheidsideaal. In het begrip van den derden stand bleven, immers zelf tot de Revolutie toe, burgerij en arbeiders ongescheiden; afwisselend dringt in de voo

en toekent. "Pour venir au tiers membre qui fait le royaume entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des gens de labeur, desquels il ne convient faire si longue exposition que des autres, pour cause que de soy il n'e

d van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en gelijkgezinden

ij op het hardnekkig verzet van een rijken bierbrouwer te Rijsel, die zijn dochter niet voor een dergelijke verbintenis wil geven. De hertog laat het meisje in verzekerde bewaring stellen; de gekrenkte vader verhuist met zijn hebben en houden naar Doornik, om daar buiten 's hertogen gebied te zijn, en ongehinderd de zaak voor het Parlement van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet dan zorg en moeite; hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval, dat in hooge mate kenschetse

r een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke Gilles de Rais er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang vindt v

en, een dubbel element van een minder hoogmoedig aristocratische volksverachting. Naast den spot over de dorpers, vol haat en verachting, zooals die klinkt uit

innocens Dont les grans lo

t a millier

s; c'est le grai

os qui ont

ns, dont leur

, vé à la seign

randschat en mishandeld door de krijgsbenden van vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van huis en hof verjaagd. In dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men hoort haar van de groote reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400: Nicolaas van Clemanges in zijn Liber de lapsu et reparatione justitiae,[155] van Gerson in zijn moedige en aangrijpende politieke preek voor de regenten en het hof op het thema Vivat rex, 7 November 1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden,[156] Jean Jouvenel, de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de ellende van het volk

un l'indigence, Pourvo

froid, paour et

é ou commis

s, il demand

des biens que

bled pour po

draps de lai

s, lui demeure p

men stereotyp en negatief medelijden, niets van een program. Er is nog geen spoor van weloverlegden socialen hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema doorgezongen, door La Bruyèr

tereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk zijn. Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische beteekenis overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in het hart als een triomf de

ns van het ancien régime. Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen uit de verheffing van de h

aine noblesce? Du gentil

llains se du cuer

nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar een hopeloos verre gelijkheid in het leven.

am, venuz, Qui après Dieu s

, tous este

de ma cost

Comment est

rant le nom

s? dont vient

y, se ce n'e

ns de tout vi

tous d'une

boe ou je fus, Homme mort

il nous cr

rit nous in

uis eusmes s

r, et enfans

hiez enfante

s; vilment e

m, villain, qui

tous d'une

tes et les dus, Li gouvern

sent, de quoy

orde

ensez, sanz a

que la mort tie

rideaal somtijds opzettelijk de daden van boersche helden opteekenen, om den adel te leeren,

Twee zaken, luidt het in het leven van een der zuiverste vertegenwoordigers van het laat-middeleeuwsche ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in de wereld gezet als twee pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke wetten te onderhouden; zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn; die twee pijlers zijn ridderschap en wetenschap, "chevalerie et science, qui moult bien conviennent ensemble".[169] "Science, Foy et Chevalerie" zijn de drie leli?n van Le Chapel des fleurs de lis van Philippe de Vitri; zij vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de beide andere te behoeden en te beschermen.[170] Die gelijkwaardigheid van rid

feer van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee getrokken: Michael's wapenfeit was "la première milicie et prouesse cheval

et is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd-, zal gemakkelijk vrede kunnen sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden strijd als hij. Zij moesten persoonlijk over dien vrede met elkander spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken, rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van Frankrijk maar wat grenssteden en kasteelen afstaan. Terstond na den vrede zou de kruistocht worden

an Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen, dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke wapenfeiten.[175] Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen aflegger der ridder-epiek: Méliador, met zijn geest zwelgt in ideale "prouesse" en "grans apertises d'armes", schrijft zijn journalistenp

ditioneele idee?n en voor een deel door een onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet in staat om in dat alles een re?ele maatschappelijke ontwikkeling te erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met bijvoorbeeld het inzicht van Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt. De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnsch

conviengnent en un point estroit qui se dit orgueil."[177] Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen-zegt Taine [178]-de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij de aristocratie de hoogmoed: "or, parmi les sentiments profonds de l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en probité, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son propre respect, et, pour l'obtenir, il est tenté de le mériter." Taine heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien. De werkelijke geschiedenis der aristocratie?n geeft o

Het schijnt mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Itali? te groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst, de standseer uitgebreid tot wijder gelding, ontdaan van het feodale sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of

e nature D'aimer tout ce q

y adjoint sa

zij enkel werd betracht om haars zelfs wil en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christ

r eenige religieuze of direct moreele motiveering, om ro

edelman Vasco de Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart, gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had gedaan, hem daarin te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee al de gangbare histori?n diens geschiedenis ontsierden.[187] Doch de bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een voorbeeld ter navolging te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om door groote en schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en Lancelot laten voorlezen; later wonnen het de Ouden. Voor het slapen gaan werd er geregeld een paar uur gelezen in "les haultes histoires de Romme".[188] Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal en Alexander, "lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire".[189] Alle tijdgenooten hebben aan die

toit en haut singulier propos pour le temps à venir, et po

eke leven, direct wortelt in het ridderideaal. Het is, als men hem met den Italiaanschen virtuoso vergelijkt, slechts een ver

ander-Jozua, David, Judas Maccabaeus-Artur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van gedichten aan.[193] Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk eigen is, voldeed, door aan de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij zocht er eenige, ten deele vrij zonderlin

dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn luim aan een negental "preux de gourmandise"

du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was door den connétable ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een zwaard in de hand gegeven. Van de figuur van den dapperen en berekenenden Bretonschen krijgsman neemt een nationaal-militaire heldenvereering haar uitgang. Het valt op te merken, dat deze in de 15e eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc geldt. Allerlei veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden, nemen in de verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het boerenmeisje uit Domrémy. Velen spreken van haar n

sire Bertran de Claiquin" (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn kindsheid.[200] Hoe loopen de fantaziesferen

kten ridder. Soms zijn het reeds legendaire figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De bel

n waren ridder eigen moest zijn, spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en dapper zijn, zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten.[203] Boucicaut's vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op, en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart, op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen "des vaillans trespassez, soit Romains ou autres", of hij spreekt met anderen van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het

dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan hebben beantwoord

n zijn dienaren een verhaal van zijn leven ge?nspireerd, getiteld Le Jouvencel.[208] In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt Le Jouvencel bij een gefingeerden vorm een sterk re?el karakter, althans in het eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig

verraadt alleen de aanhef, die de jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste gedeelte van Le Jouvencel. Wat ons hier tegen komt, is de armzaligheid van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om gebrek te lijden en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn onbeslagen. Hij zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn

n meer in de feodale vormen bekneld dan de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliché van oudere dolende

e, la larme en vient à l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de loyaulté et de pitié de veoir son amy, qui si vaillamment expose son corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne l'abandon

ge ego?sme in de aandoening van het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis, waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edel

teeds het ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der verbeelding: de dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen, zegt William James, beheerscht nog "sentimentally if not practically,

rvlakkig. Toch zijn het niet deze, die de ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook haar onmiddellijke wortels in den mannelijken stri

erlangen beperkt zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen zelf: hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven vol

uasi-ethische zelfverloochening. Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en te bloeden, die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de ve

endste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch, om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is daar

heeft gezien, terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige herhaling een tijdlang worden vermeden,

zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken samenhang met het moederschap verheft het

doordat hij onbekend optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding uitgegaan romantisch mo

ijk is. Wij wanen den tijd lang ontgroeid aan die kinderlijke fantazie?n, en noemen Froissart's Méliador of de Perceforest, de nabloeiers der ridderlijke avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij zijn het evenmin als de sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die litte

et romantische geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en

ridderideaal en bouwt daarop het levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt.

evensideaal nog zoo sterk als bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge harten de begeerte naar het edele ridderlijke strijdbejag doet groeien. H

en volmaakten ridder betaamt: Le livre des Cent ballades.[214] Goed, waarom niet? Maar zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen hertog van Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere dichtgezellen het leven verloren, wanneer hij de krijgsgevangen adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou men dan een ernstig krijgsman niet bek

sie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen. Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournoo

s van die cultuurvormen duidelijk doen zien. In het gedicht Les voeux du héron spree

ors vins buvant, Et ces dames delès

polies, ces

esplendissent de

mont d'avoir c

rons-nous Yaumon

nquierrent Oli

as camps sus nos

col et nos lans

grande nous v

effondrent, et d

sont envers n

stre en un chélie

ussions veu tan

, où sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien faire

, wier echtgenoot niet tot den strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt ve

de monnik van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins.[220] Het kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken onduldbaar geworden.[221] De moralisten misprez

neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw gedenkteekens aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer herinnerde "la Croix Pélerine" aan den kamp van Hautbourdin, den bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden Pas d'armes de la Pélerine. Nog een halve e

behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur. De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in de hof- en militaire carrière luttel plaats voor de sentimenten van moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze b

ggen de kinderlijke verbeeldingen van het sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving

noemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt, welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden tw

van de Chapitres de la Fontaine des pleurs: wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een "dame de l'isle ce

d is zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met zilveren tranen. Ook bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart en violet met gouden en zwarte tranen.[231] Niet altijd echter is het in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke schoonheidsvriend koning René de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen viert hij feest in het houten kasteel "de la joyeuse ga

niemand, die eenigszins bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn, dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De ridderslag is een

m een ethnologische hypothese te staven, maar om de idee?nwaarde van het vol-ontwikkelde ridderwezen voor oogen

uit louter kerkelijke en politische, zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen z

d was geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten. Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economisch

[233] Hij wil er alle standen in opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den grootmeester en de ridders leveren, de geestelijkheid den patriarch en zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders dee

t men er ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une religion", zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd van in den toon van een heilig mysterie.[234] Olivier de la Marche spreekt van een Portugees als een "chevalier de la religion de

useband opdringen, om hem daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondi?r begrijpt, dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en weet de eer beleefd te ontgaan.[237] Wanneer dan ook later Karel de Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk XI dit als een

e anders steeds weer die uitdrukkelijke verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doele

pour esbatement Mais à

eu trestout

oire et haulte

te zullen verklaren, opdat men bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht. U

Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison (1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur", waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het Zwaard, die van zijn leden een

rorden met een Ordre des fumeux, een Ordre de la b

tgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle door een her

s detestable Est m

st point mi

l'image

emporter

se veult

se peult c

lips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze zijn trouw brak.[246] "Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel den Stoute de orde,[247] maar anderen zooals de kroniekschrijver Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre, overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moa

voorts den wapenkoning met zijn staf van herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefèvre de Saint Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in 1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Zélande. De eerste der poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, h

best in hun samenhang ziet. Wie geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte, da

sche. Alle drie zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde en staatsbelang zich maar wat

faisan". Tenzij ook hier ons de passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het Florentijn

en zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor. 's Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,-zoo zonderling, dat de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben-, moeilijk iets anders zien dan een ascetische verhoo

an Artois den koning van Engeland, Eduard III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te beginnen: Le Voeu du Héron. Het is een verhaal va

el twee, antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder toe. "Belle, est-il bien clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement." "Welaan dan," zegt Salisbury, "dan gelove ik aan

n'est autrement. -Adonc osta so

meure, si que vir

ngelsche heeren, die één oog met een lap bedekt hielden ter voldoening aan de gelofte,

ie klooster noch altaar, zwangere vrouw noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te die

n, que piecha[254] Que sui grosse

ires, qu'en mon

prometh a Dieu

de moi de mon co

menée ou pa

le veu que vo

h isir, quant b

d'achier li mien

perdue et li

tvangt de godslasterlijke ge

t forment l'en pensa, Et dist: c

gnon, en daar feitelijk opgesloten, zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer hij de vrijheid herkregen heeft.[256] Als Lumey dezelfde

, was een Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had.[257] Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart, slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam

te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een gevecht te voet "à outrance".[259] Jacques de Lalaing ontmoet te Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als "chevalier aventureux" van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij vechten wou.[260] In den roman van den Petit Jehan de Saintré draagt de ridder Loiselench twee gouden

s niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe psychologische wortel

en worden afgelegd aan God en Onze Lieve Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den vogel.[265] In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig afwisseling. De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder zal Zaterdags niet in een bed slapen, eêr hij een Saraceen bevochten he

de) gelofte aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon très redoubté seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint voyage qu'il a voué, le bras désarmé; mais il est content qu

t gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de Voeu du héron de vroeger reeds vermelde woorden[271] in den mond legt, die met fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop de Engelsche heeren lachten.[272]-Hoe moet, ondanks alle pompeuze gewichtigh

eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel! De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus, die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt, heeft me

van bevolking en belasting. Een onderzoeker, die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en verkeer, uit de politieke en militaire confli

jft. Bovendien zou het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als het was, op de zuiver staatkundige g

speellieden blazen, als hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen, reed uit als een vorst, het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met drie zilveren h

viette" zelf hun herkomst hebben uit den middeleeuwschen hofstaat,[276] zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om

dischen staat, die grootste fout, die Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon, die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte. Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het

zonderling contrast tusschen het re?ele politieke belang en de politieke idee. Er bestond voor de Christenheid der veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378) en het Servische rijk vernietigd hadden (13

eed gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 139

aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem,[278] laat de koning stilhouden en

een troefkaart, die niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid, terwijl bij het feest te Rijssel en daa

tideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in 1383, die va

dschrijvers van dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf. Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk van Orleans.[284] In het woeste en schitterende brein van dien Orleans, waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen van ridderstrijd en hoofsche liefde naast débauche, cynisme en tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was Humphrey van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour éviter effusion de sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay compacion", "que par mon corps

jaar oud was, zijn kruisgelofte inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps à corps te bestrijden, als deze dat verkoos.[289] Men vindt den weerklank van die hard

van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een roerende verzoen

eden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf

daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld. Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn. Geen bijzonderheid ontgaat hem van de "moult belle serimonie"; hij beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit één stuk, zonder iets

n vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen biechten; dan roept hij:

e hebben verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch achterna den adel beving, dat men dit had

omantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen.[293] De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in den slag nooit verder zullen vluchten dan vier "arpents", anders hebben zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte.[294] Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat vóór den slag bij Azincourt, trekt hij b

in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Chatel, wil de Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord treft Du Chatel in het vleesch: "Dat zij verre van het edele hart van een Breton, dat h

regenten Bourgondi? en Berry verboden en nog op 't laatste oogenblik verhinderd.[300] De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van Le Jouvencel den Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om hen uit

ot na de Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den strijd van Breauté en Lekkerbeetje op de

sitie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten einde in dien tijd een brug

t laatst der vijftiende eeuw komen de landsknechten met de groote trommels,[305] een ontleening aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg. Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een individueel karakter en een el

egt Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellée la rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu déclairée à estre bataille, pour ce que les parties rencontrèrent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y avoit comme nulles bannières desploiées".[309] Hendrik V

ent et messires Ustasse à lui, et tant que il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning zijn gevangene aanbiedt.[312]-In het gevecht van Saint Richier laat Philips van Bourgondi? wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting

Vandaar dat het steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel: daar alleen was de illusie van het sch

n zweem van eerbied, hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. "Quand on l'eust regardé une espasse on le osta de là et fu pendus à un arbre. Velà le darraine fin de che Philippe d'Artevelle."[316] De koning zou zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en le traitant de vilain".[317] De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers verminkt en met uitgestoken

wijken en vluchten.[323] Buitengewoon na?ef komt de ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit in het Debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre, een tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche adel houdt meer van den oorlog

de bedrijver van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende.[326] Maar behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol. Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. "Je sui uns povres homs qui desire mon avancement", zegt Eust

enra le tre

, soit en pensions, soit en rentes, soit en gouvernemens ou en pratiques."[329] En inderdaad schijnt zelfs de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd g

wijk XI en Philippe de Commines. De beschrijving van den slag bij Montlhéry bij Commines is in haar nuchter realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme. Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar

en ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000 kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem

oon Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulenté de voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et quérir les armes sur gens et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison tu n'y

tegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Art

choone overdrijving had eenmaal de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de rid

n beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden levensvorm de al te hooge aspiraties

en bepaalden, lagen er buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt be

wereld met haar genietingen. De zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd a

ste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van het aristocratische levensideaal. Doch beide vloeien voortdurend ineen. Op het thema van de misère van het hofleven hadden reeds in de twaalfde eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten De nugis cur

erbe delitable Lez ru brui

hee une bor

t Gontier o

s, laict, bu

, pomme, nois,

ons, escaill

au gros sel, pour

ie et bien barbue"; vervolgens gaat Gontier in het bosch e

ant son arbre Dieu me

l-que sont pil

ns, murs vestu

our de tra

blant, ne qu'e

d'or. Je n'a

t, ne genoil

ier jamais n

a ne m'espren

ne lescher

ist en joieu

layne et elle

z. De tombel

! serf de court

ier vault en or

envoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid, met de geneuchten van

en den afkeer van het hof in tal van balladen na. Hij ge

urt souveraine Où j'avo

et, dessus

in le franc

flours avoi

f, et Marion sa

agt hij de ellende en wreedheid van den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zev

or en avant Estat moie

ier et vivre

n'est que dam

zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt, uitdrukkelijk ver

rs qu'il me doint En ce

, cote entiere

pour mon la

isse mon est

, en grace,

oir et sanz

i est la plus s

dan ellende, de arme is tevreden en

vres chartons Va mauvestu

nt prant en g

fait son

n; pour ce uns te

ys et leur reg

ingen overleeft, beviel den dichter zoo goed,

van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het hofleven zou hebben begrepen.[348] Een inkeer zou het dus zijn. Zou het niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf, midden

van vreezen. [349] Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges,[350] zoo zijn correspondent Jean de Montreuil.[351] Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius de Miliis, secretaris van den hertog van Orleans, die aan Gontier Col een litterairen brief schreef, waarin

lde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn L'abuzé en court kwam op

ont sourt Vagues d'orgu

debats et

s jettent s

fait son p

part pour te

ad het oude thema zijn bek

igheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal. Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvo

Download App
icon APP STORE
icon GOOGLE PLAY