Bavo en Lieveken by Hendrik Conscience
Bavo en Lieveken by Hendrik Conscience
Dat groote huis met zijne honderden vensters, dat men ziet van op de Watermolenbrug te Gent, is de katoenfabriek van mijnheer Raemdonck.
Alhoewel het daglicht reeds vermindert, is er alles nog in de volle, drukke werkzaamheid; het logge gebouw davert op zijne grondvesten onder de zwoeging der mekanieken, die de stoomkracht in zijn binnenste doet leven.
Het is vooreerst de Duivel, dat machtig tuig, waarin het katoen wordt geklopt, geschud en gefolterd, totdat het alle onreinheid heeft verloren; dan de koorden, de rektuigen en de lantaarnen of draaiende potten, die altezamen de boomwol in vlokkig sneeuw veranderen, ze mengen, ze verdeelen en ze bereiden, om door de spintuigen tot haarfijne draden te worden herschapen; de scheer- en boommolens, en eindelijk de getouwen der wevers en de banken der spinners met hunne ontelbare spillen en bobijnen.
Alles boven en beneden beweegt, loopt of slingert met koortsige snelheid; het is eene oneindigheid van rollende assen, van wentelende wielen, van knarsende radertanden, van vluchtende riemen, van wandelende spinmolens, van draaiende spillen.
Uit elke beweging ontstaat een gerucht, dat zich met de duizenden andere geruchten vermengt tot een donderend gebruis, tot een zenuwtergend geraas, zoo aanhoudend en zoo vol, dat het de denkingskracht van den toevalligen bezoeker inzwelgt en hem duizelig maakt gelijk het geloei der losgebrokene winden op eene woedende zee.
Terwijl het ijzer en het vuur hier alles met hun leven en met hunne stem vervullen, dwaalt de mensch als een sprakeloos en spookachtig wezen tusschen de reusachtige tuigen, die zijn vernuft heeft geschapen.
Er zijn mannen, vrouwen, kinderen in menigte; zij letten op den gang der raderwerken, zij hechten de gebrokene draden aaneen, zij brengen katoen of bobijnen aan, en geven onophoudend voedsel aan het duizendledig monster, dat de stof met onverzaadbaren honger schijnt te verslinden.
Ziet, hoe mannen en vrouwen schier aandachteloos tusschen de raderwerken heen- en wedergaan; hoe de kinderen onder de spinmolens doorkruipen! En nochtans, dat een riem, een tand, één van al die draaiende dingen hunnen kiel, hun kleed of slechts hunne mouw aangrijpe ... en het onverbiddelijk ijzer zal hunne leden afrukken of hun lichaam vermalen, en het niet loslaten, vóórdat het, ginder verre, als een onkennelijke klomp weder uitgeworpen worde. Ach, hoevele onvoorzichtige werklieden zijn dus verminkt of verslonden geworden door de barsche, zinnelooze kracht, die geen onderscheid kent tusschen katoen en menschenvleesch!
Maar daar galmt een klokslag! De vuurmaker stopt het stoomtuig; hij ontneemt aan de mekanieken hunnen adem en hun leven ... en op het ontzaglijk gerucht, op het zinverdoovend geraas volgt de stilte der eenzaamheid en der rust....
Het was op eenen zomeravond van het jaar 1832, dat de werklieden der fabriek van mijnheer Raemdonck dus, op het sein der klok, hunnen arbeid staakten en te gelijk op het binnenplein zakten, om daar voor een venster van het bureel op de uitbetaling van het loon der afgeloopene week te wachten.
Alhoewel schijnbaar dooreengemengd, toonden zij echter eenige schikking. Men kon zien, dat de vrouwen, de kinderen en de mannen neiging hadden om afzonderlijke groepen te vormen; zelfs de wevers en de spinners stonden aan eene verschillige zijde van het plein.
Allereerst werden de vrouwen betaald; want onder hen waren vele moeders, wier zuigelingen sedert uren misschien naar lafenis en voedsel snakten. Arme wichtjes, gansche dagen aan vreemde handen toevertrouwd, levend van hunne geboorte af in derving en in nood! Slachtoffers van een maatschappelijk gebrek, dat, tegen de natuur en tegen den wil Gods, de vrouw onttrekt aan de vervulling van den moederplicht, opperste wet van haar wezen op aarde!
De werklieden toonden nu eenige levendigheid; zij schenen vroolijk, omdat de lange week was afgeloopen en de rust van morgen hen toelachte.
Een sterkgebouwde kerel, die tusschen de spinners stond, onderscheide zich door zijne luidruchtigheid. Kluchtige woorden en grove zinspelingen rolden hem uit den mond, en hij had zijne gezellen meer dan eens in eenen schaterlach doen losbarsten.
Nu bemerkte hij eenen werkman, die uit de fabriek kwam en tot het uiterst einde van de groep der spinners naderde. Hij ging naar hem toe, deed hem teeken, dat hij hem over iets wilde spreken, trok hem een paar stappen van zijne kameraden weg en zeide:
"Ha sa, Adriaan, gij zijt er bij dezen avond, niet waar? Wat zullen wij lachen en vermaak hebben!"
"Waarbij, Jan? Ik weet van niets," was het antwoord.
"Hoe? gij weet niet, dat rosse Leo van avond zijn jubilé viert?"
"Welk jubilé?"
"Van vijfentwintig jaar spinner."
"Werkt Leo reeds zoolang? Onmogelijk: de man is nog niet oud genoeg."
"Niet oud genoeg, Adriaan? Hij was draadjesmaker in de spinnerij van Lieven Bauwens, in de allereerste fabriek, die er te Gent was opgericht. Dit was in 1800, en Leo was alsdan zestien jaar. Hij weet het nog zoo juist op zijn duimken, als hadde hij eenen almanak in den kop. Hij is spinner geworden, in 1807, bij mijnheer De Vos. Tel maar op de vingeren: zeven van tweeêndertig, blijft vijfentwintig."
"Inderdaad; men zou het niet zeggen: de rosse Leo schijnt geen veertig jaar oud."
"Het is, dat hij het leven verstaat en Gods water over Gods dijk laat loopen. Ware hij een kniezer geweest, dan zou hij al lang op het kerkhof liggen. Eene goede pint bier, eene schel hesp en van tijd tot tijd een scheut jenever, dat zet bloed, jongen.... Welnu, doet gij mede? Eenen halven frank tot inzet.
Wij zingen, lachen en drinken tot half den nacht. Het is morgen toch Zondag. Er zullen daarenboven vier vette konijnen te verdubbelen zijn: een buitengewoon Smeerken, in de Blauwe Geit, bij onzen kameraad Pier de Knul?"
De andere bepeinsde zich eene wijl, schudde het hoofd en antwoordde:
"Ik heb geene goesting, Jan."
"Wat is dit nu?" kreet zijn gezel verwonderd. Zult gij vijfentwintig cents weigeren om het jubilé van eenen ouden vriend te vieren?"
"Het is niet voor de vijfentwintig cents, Jan. Ik ken den rossen Leo bijna niet, en, ik zeg het rechtuit, dit drinken halve nachten lang bevalt mij niet meer; ik kan er niet tegen, het maakt mij ziek."
Deze woorden, op eenen zekeren vreesachtigen toon gesproken, deden Jan in eenen spotlach uitbarsten: hij greep de twee handen zijns vriends en zeide hem:
"Damhout, Damhout, jongen lief, ik heb medelijden met u. Gij waart vroeger altijd het haantje vooruit, en het was u nooit te laat om naar huis te gaan; maar sedert gij getrouwd zijt, ik heb het gezien van het eerste jaar af,-sedert gij getrouwd zijt, geraakt gij allengskens meer en meer achter den bezem; gij durft u niet meer verroeren, gij wordt een suffer, een gierigaard, een kwezelaar. Foei, gij vergeet, dat gij een man zijt, en gij ligt als een kind onder den duim uwer vrouw. Gij zoudt wel mededoen, ik weet het: gij hebt nog een tandje, dat er naar lotert; maar gij moet eerst permissie van moeder Damhout hebben, en God weet, of gij die permissie nog durft vragen!"
"Wildenslag, ik wil mij niet boos maken," mompelde Damhout. "Ik weet, dat gij het niet kwaad meent, alhoewel gij onrechtvaardig zijt jegens mij."
"Welnu, loochen dan, dat gij weigert uit opzicht voor uwe vrouw!"
"Integendeel, ik beken het; maar indien het eens was uit achting voor haar en uit genegenheid voor mijne kinderen?"
"Ja, Damhout, uwe kinderen; gij zult er een schoon kot van kweeken van uwe kinderen. Kleed ze maar als rentenierkens; laat ze maar naar de school gaan. Zoolang ze jong zijn, zullen ze meer kosten dan gij kunt winnen. Zij zullen schoon weer spelen en luierikken, terwijl gij, och arme, na eene gansche week te hebben geslaafd, nog geene pint bier met de vrienden zult mogen drinken. Geef hun uw zweet en uw bloed, verderf uwe gezondheid en verkort uw leven, en als ze groot geworden zijn, zullen ze hunnen vader, den armen versleten fabriekwerker, niet meer willen bezien of herkennen."
Deze woorden waren niet zonder indruk op het gemoed van Adriaan Damhout. Hij scheen treurig en bleef eene wijl met gebogen hoofde overwegen. Dan zeide hij twijfelende:
"Nochtans, Wildenslag, de geleerdheid is een schat, eene macht, die den mensch tot alles bekwaam maakt; en vermits wij onzen kinderen geen ander erfdeel kunnen nalaten...."
"Vertelsels, droomen van uwe vrouw," herhaalde de andere. "Wat wilt gij, om 's hemels wil, dat een spinner of een wever met de geleerdheid doe? Of wij nu konden lezen en schrijven, wat zou het ons helpen? Hebt gij er minder om gewonnen, dat gij zoo min als ik, eene A uit eene B kent? Kom, kom, zotte hoovaardigheid en onnoozele praat allemaal. Onze ouders hebben gewerkt van kindsbeen af, wij hebben evenzoo gewerkt, en onze kinderen kunnen ook maar werken, dan valt er niets op te zeggen. Meent gij, dat ik mijn klein vee zal vetten met mijn zweet, totdat ze aan de luiheid gewend zijn? Hola een beetje! Er is er reeds één op de fabriek en de anderen zullen volgen. Zoo komt er van alle kanten boter in den pot, mijn vriend; en kan er voor ons nog een pintje bier, en van tijd tot tijd een plezierig smeerken op af.... Welnu, wat zegt gij? Viert gij mede het jubilé van rossen Leo? Kom, gij moogt niet zoo vervaard zijn van uwe vrouw. Laat ze wat knorren. En maakt ze het te bont, toon haar, dat gij man zijt en een hart in het lijf hebt."
Adriaan Damhout stak de hand in den zak, haalde er een stuk van vijfentwintig cents uit en gaf het aan zijnen gezel.
"Alzoo, dezen avond, te negen uren stipt, in de Blauwe Geit, bij Pier de Knul?" juichte Wildenslag. "Het zal er gaan, het zal er een leventje zijn, dat gij er in uwen ouden dag nog zult van spreken!"
"Ik zal pogen te komen; maar ik ben er niet zeker van," mompelde nog de andere.
"Ja? gij zult toch niet dom genoeg zijn om uw geld door anderen te laten opdrinken? Dan zou ik zeker zeggen, dat gij met uwe vrouw van kleederen hebt verwisseld. Onmogeljk, Adriaan, zoover zijt gij nog niet."
Op dit oogenblik riep men van uit het bureel zekere nummers, en de beide vrienden begrepen daardoor, dat hunne beurt om het weekloon te ontvangen was gekomen.
Jan Wildenslag kreeg eerst zijn geld, doch bleef nog wachten om met zijnen gezel huiswaarts te keeren. Toen echter Adriaan Damhout aan het venstertje kwam, zeide men hem, dat hij met eenige anderen moest blijven, om eene hand uit te steken aan eene as, die moest worden opgelicht.
Wildenslag drukte hem nog de hand en zeide in het heengaan:
"Tot dezen avond dan. Komt gij niet, dan maak ik een kruis op uwen rug. Pas op, pas op, vriend: ieder moet op de wereld zijn deel van het leven hebben. Offert gij u op voor vrouw en kinderen, zij zullen zonder medelijden u afhalen en uitzuigen, totdat uwe gezondheid geheel zij gekrenkt. Hang de vlag in den wind, achter ons vergaat de wereld! Hoera, vivat de leute!"
En lachende en eenen dwazen flikker makende, sprong hij de straat in, gevolgd door zijnen draadjesmaker, welken hij onder de eerste de beste gaslantaarn van zijn loon zou betalen.
* * *
Histoire de deux enfants d'ouvrier by Hendrik Conscience
Alcohol and heartbreak are definitely not a good combo.Too bad I learnt that a little too late. I'm Tessa Beckett and I painfully got dumped by my boyfriend of three years.That led me to getting drunk at a bar and having a one-night stand with a stranger.Before he would see me as a slut the next day,I paid him for the sex and deeply insulted his ability to please me. But this stranger turned out to be my new boss!
The day Raina gave birth should have been the happiest of her life. Instead, it became her worst nightmare. Moments after delivering their twins, Alexander shattered her heart-divorcing her and forcing her to sign away custody of their son, Liam. With nothing but betrayal and heartbreak to her name, Raina disappeared, raising their daughter, Ava, on her own.Years later, fate comes knocking when Liam falls gravely ill. Desperate to save his son, Alexander is forced to seek out the one person he once cast aside. Alexander finds himself face to face with the woman he underestimated, pleading for a second chance-not just for himself, but for their son. But Raina is no longer the same broken woman who once loved him.No longer the woman he left behind. She has carved out a new life-one built on strength, wealth, and a long-buried legacy she expected to uncover.Raina has spent years learning to live without him.The question is... Will she risk reopening old wounds to save the son she never got to love? or has Alexander lost her forever?
I was four months pregnant, weighing over two hundred pounds, and my heart was failing from experimental treatments forced on me as a child. My doctor looked at me with clinical detachment and told me I was in a death sentence: if I kept the baby, I would die, and if I tried to remove it, I would die. Desperate for a lifeline, I called my father, Francis Acosta, to tell him I was sick and pregnant. I expected a father's love, but all I got was a cold, sharp blade of a voice. "Then do it quietly," he said. "Don't embarrass Candi. Her debutante ball is coming up." He didn't just reject me; he erased me. My trust fund was frozen, and I was told I was no longer an Acosta. My fiancé, Auston, had already discarded me, calling me a "bloated whale" while he looked for a thinner, wealthier replacement. I left New York on a Greyhound bus, weeping into a bag of chips, a broken woman the world considered a mistake. I couldn't understand how my own father could tell me to die "quietly" just to save face for a party. I didn't know why I had been a lab rat for my family’s pharmaceutical ambitions, or how they could sleep at night while I was left to rot in the gray drizzle of the city. Five years later, the doors of JFK International Airport slid open. I stepped onto the marble floor in red-soled stilettos, my body lean, lethal, and carved from years of blood and sweat. I wasn't the "whale" anymore; I was a ghost coming back to haunt them. With my daughter by my side and a medical reputation that terrified the global elite, I was ready to dismantle the Acosta empire piece by piece. "Tell Francis to wash his neck," I whispered to the skyline. "I'm home."
I lay paralyzed on stiff white sheets, a prisoner in my own skin, listening to the rain lash against the window like nails on a coffin. My father, Elmore Franco, didn't even look at my face as he checked his clipboard. He just listened to the steady, monotonous beep of the heart monitor-the only thing proving I was still alive. Without a hint of remorse, he pulled a pen from his pocket and signed the Do Not Resuscitate order. My stepmother, Ophelia, stepped out from behind him, wearing my favorite pearl necklace and smelling of cloying perfume. She leaned close to my ear to whisper the truth that turned my blood to ice. "It was the tea, darling. Just like your mother. A slow, tasteless poison." She chuckled as she revealed that my fiancé, Bryce, had a two-year-old son with my sister, Daniela. My inheritance had been funding their secret life for years, and now that the money was secure, I was an inconvenience they were finally scrubbing away. As my father yanked the power cord from the wall, the beeping died, and the darkness swallowed me whole. I was being murdered by my own flesh and blood, used as a bank account until I was no longer needed. I died in that sterile room, drowning in the realization that every person I ever loved was a monster who had been waiting for me to take my last breath. Then, I gasped. I woke up in a luxury hotel suite surrounded by silk sheets, five years in the past-the very morning of my wedding. Next to me lay Basile Delgado, the "Wolf of Wall Street" and my family's most dangerous enemy. In my first life, I ran from this room in a panic and lost everything. This time, I looked at the man who would eventually destroy my father's empire and decided to join him. "I'm not leaving, Basile. Marry me. Right now. Today."
For seventeen years, I was the crown jewel of the Kensington empire, the perfect daughter groomed for a royal future. Then, a cream-colored envelope landed in my lap, bearing a gold crest and a truth that turned my world into ice. The DNA test result was a cold, hard zero percent-I wasn't a Kensington. Before the ink could even dry, my parents invited my replacement, a girl named Alleen, into the drawing room and treated me like a trespasser in my own home. My mother, who once hosted galas in my honor, wouldn't even look me in the eye as she stroked Alleen's arm, whispering that she was finally "safe." My father handed me a one-million-dollar check-a mere tip for a billionaire-and told me to leave immediately to avoid tanking the company's stock price. "You're a thief! You lived my life, you spent my money, and you don't get to keep the loot!" Alleen shrieked, trying to claw the designer jacket off my shoulders while my "parents" watched with clinical detachment. I was dumped on a gritty sidewalk in Queens with nothing but three trunks and the address of a struggling laborer I was now supposed to call "Dad." I traded a marble mansion for a crumbling walk-up where the air smelled of exhaust and my new bedroom was a literal storage closet. My biological family thought I was a broken princess, and the Kensingtons thought they had successfully erased me with a payoff and a non-disclosure agreement. They had no idea that while I was hauling trunks up four flights of stairs, my secret media empire was already preparing to move against them. As I sat on a thin mattress in the dark, I opened my encrypted laptop and sent a single command that would cost my former father ten million dollars by breakfast. They thought they were throwing me to the wolves, but they forgot one thing: I'm the one who leads the pack.
There was only one man in Raegan's heart, and it was Mitchel. In the second year of her marriage to him, she got pregnant. Raegan's joy knew no bounds. But before she could break the news to her husband, he served her divorce papers because he wanted to marry his first love. After an accident, Raegan lay in the pool of her own blood and called out to Mitchel for help. Unfortunately, he left with his first love in his arms. Raegan escaped death by the whiskers. Afterward, she decided to get her life back on track. Her name was everywhere years later. Mitchel became very uncomfortable. For some reason, he began to miss her. His heart ached when he saw her all smiles with another man. He crashed her wedding and fell to his knees while she was at the altar. With bloodshot eyes, he queried, "I thought you said your love for me is unbreakable? How come you are getting married to someone else? Come back to me!"
© 2018-now CHANGDU (HK) TECHNOLOGY LIMITED
6/F MANULIFE PLACE 348 KWUN TONG ROAD KL
TOP
GOOGLE PLAY