Andersens Sproken en vertellingen by Hans Christian Andersen
Andersens Sproken en vertellingen by Hans Christian Andersen
De kleine Rudy.
Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal, en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa's brandt zij, zoodat deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den Schreckhorn en den Wetterhorn, bij het bergstadje Grindelwald; zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe; zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer, alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan, nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit, alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.
Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar: want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte, die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die, welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.
Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast, alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader, die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte: notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen, juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap-Rudy heette hij-keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks, die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.
Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden, en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval stond of het neerrollen van een lawine hoorde. Hij speelde nooit met de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats, vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen, en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy's vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.
?Kom maar eens met mij op het dak!? had de kater gezegd, en wel duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed; de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop, pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!
?Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!? was zeker wel het eerste, wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. ?Wat de menschen van het naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet, als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar en houd u vast. Zoo doe ik het!?
En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja, hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.
?Hooger op!? zeiden boom en struik. ?Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant van de rots!?
Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht, dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat: de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en den tijm van het dal.-Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen, de geest van den geur gaat in de lucht over, om haar lichter en frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy's morgendrank.
De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op en zongen: ?Wij en gij! Gij en wij!? Zij brachten groeten van huis, van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.
Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor zoo'n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg, de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. ?Toen de jongen nog geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,? had zijn moeder geschreven; ?van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had, was er een andere geest in hem gevaren.? Zijn grootvader sprak hierover maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.
De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rh?nedal, in het kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende gids.-Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind, in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er, voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na veel inspanning haalde men uit de ijskloof twee lijken te voorschijn, naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte, het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees, denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag ingekerkerd zijn,-zooals de Zwitsersche boer gelooft.
Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij, de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de diepe meren van Zwitserland schittert.
?Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!? spreekt zij. ?Een schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust, maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!?
Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters, een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.
?Ja, dien grijpen!? zei de duizeligheid. ?Daartoe ben ik niet in staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot, ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolen kittelen of hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet in staat!?
?Wij zullen het wel gedaan krijgen,? zei de ijsjonkvrouw. ?Gij of ik! Ik, ik!?
?Neen, neen,? klonk het om haar heen, alsof het een echo van het gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke geesten,-het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden; de menschen noemen dat ?Alpengloed.? Als de zon dan gezonken is, verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar, totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.
?Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!? zeiden zij.
?Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!? zei de ijsjonkvrouw.
Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens mantel de stroom wegvoerde,-de wind nam het hulsel, maar den man niet; ?ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!?
Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.
Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.
Autobiographical novel of one of the greatest children's writers that has ever lived: Hans Christian Andersen. Most famous for his versions of classic fairytales, such as The Little Mermaid, The Ugly Duckling, Thumbelina and The Snow Queen. "My life is a lovely story, happy and full of incident. If, when I was a boy, and went forth into the world poor and friendless, a good fairy had met me and said, 'Choose now thy own course through life, and the object for which thou wilt strive, and then, according to the development of thy mind, and as reason requires, I will guide and defend thee to its attainment, ' my fate could not, even then, have been directed more happily, more prudently, or better. The history of my life will say to the world what it says to me-There is a loving God, who directs all things for the best." We are delighted to publish this classic book as part of our extensive Classic Library collection. Many of the books in our collection have been out of print for decades, and therefore have not been accessible to the general public. The aim of our publishing program is to facilitate rapid access to this vast reservoir of literature, and our view is that this is a significant literary work, which deserves to be brought back into print after many decades. The contents of the vast majority of titles in the Classic Library have been scanned from the original works. To ensure a high quality product, each title has been meticulously hand curated by our staff. Our philosophy has been guided by a desire to provide the reader with a book that is as close as possible to ownership of the original work. We hope that you will enjoy this wonderful classic work, and that for you it becomes an enriching experience.
Fairy Tales of Hans Christian Andersen by Hans Christian Andersen
"Let's get married," Mia declares, her voice trembling despite her defiant gaze into Stefan's guarded brown eyes. She needs this, even if he seems untouchable. Stefan raises a skeptical brow. "And why would I do that?" His voice was low, like a warning, and it made her shiver even though she tried not to show it. "We both have one thing in common," Mia continues, her gaze unwavering. "Shitty fathers. They want to take what's ours and give it to who they think deserves it." A pointed pause hangs in the air. "The only difference between us is that you're an illegitimate child, and I'm not." Stefan studies her, the heiress in her designer armor, the fire in her eyes that matches the burn of his own rage. "That's your solution? A wedding band as a weapon?" He said ignoring the part where she just referred to him as an illegitimate child. "The only weapon they won't see coming." She steps closer, close enough for him to catch the scent of her perfume, gunpowder and jasmine. "Our fathers stole our birthrights. The sole reason they betrayed us. We join forces, create our own empire that'll bring down theirs." A beat of silence. Then, Stefan's mouth curves into something sharp. "One condition," he murmurs, closing the distance. "No divorces. No surrenders. If we're doing this, it's for life" "Deal" Mia said without missing a beat. Her father wants to destroy her life. She wouldn't give him the pleasure, she would destroy her life as she seems fit. ................ Two shattered heirs. One deadly vow. A marriage built on revenge. Mia Meyers was born to rule her father's empire (so she thought), until he named his bastard son heir instead. Stefan Sterling knows the sting of betrayal too. His father discarded him like trash. Now the rivals' disgraced children have a poisonous proposal: Marry for vengeance. Crush their fathers' legacies. Never speak of divorce. Whoever cracks first loses everything. Can these two rivals, united by their vengeful hearts, pull off a marriage of convenience to reclaim what they believe is rightfully theirs? Or will their fathers' animosity, and their own complicated pasts tear their fragile alliance apart?
I just got my billionaire husband to sign our divorce papers. He thinks it's another business document. Our marriage was a business transaction. I was his secretary by day, his invisible wife by night. He got a CEO title and a rebellion against his mother; I got the money to save mine. The only rule? Don't fall in love. I broke it. He didn't. So I'm cashing out. Thirty days from now, I'm gone. But now he's noticing me. Touching me. Claiming me. The same man who flaunts his mistresses is suddenly burning down a nightclub because another man insulted me. He says he'll never let me go. But he has no idea I'm already halfway out the door. How far will a billionaire go to keep a wife he never wanted until she tried to leave?
I had been a wife for exactly six hours when I woke up to the sound of my husband’s heavy breathing. In the dim moonlight of our bridal suite, I watched Hardin, the man I had adored for years, intertwined with my sister Carissa on the chaise lounge. The betrayal didn't come with an apology. Hardin stood up, unashamed, and sneered at me. "You're awake? Get out, you frumpy mute." Carissa huddled under a throw, her fake tears already welling up as she played the victim. They didn't just want me gone; they wanted me erased to protect their reputations. When I refused to move, my world collapsed. My father didn't offer a shoulder to cry on; he threatened to have me committed to a mental asylum to save his business merger. "You're a disgrace," he bellowed, while the guards stood ready to drag me away. They had spent my life treating me like a stuttering, submissive pawn, and now they were done with me. I felt a blinding pain in my skull, a fracture that should have broken me. But instead of tears, something dormant and lethal flickered to life. The terrified girl who walked down the aisle earlier that day simply ceased to exist. In her place, a clinical system—the Valkyrie Protocol—booted up. My racing heart plummeted to a steady sixty beats per minute. I didn't scream. I stood up, my spine straightening for the first time in twenty years, and looked at Hardin with the detachment of a surgeon looking at a tumor. "Correction," I said, my voice stripped of its stutter. "You're in my light." By dawn, I had drained my father's accounts, vanished into a storm, and found a bleeding Crown Prince in a hidden safehouse. They thought they had broken a mute girl. They didn't realize they had just activated their own destruction.
She was a world-renowned divine doctor, the CEO of a publicly traded company, the most formidable female mercenary, and a top-tier tech genius. Marissa, a titan with a plethora of secret identities, had hidden her true stature to marry a seemingly impoverished young man. However, on the eve of their wedding, her fiance, who was actually the lost heir to a wealthy dynasty, called off the engagement and subjected her to degradation and mockery. Upon the revelation of her concealed identities, her ex-fiance was left stunned and desperately pleaded for her forgiveness. Standing protectively before Marissa, an incredibly influential and fearsome magnate declared, "This is my wife. Who would dare try to claim her?"
I gave him three years of silent devotion behind a mask I never wanted to wear. I made a wager for our bond-he paid me off like a mistress. "Chloe's back," Zane said coldly. "It's over." I laughed, poured wine on his face, and walked away from the only love I'd ever known. "What now?" my best friend asked. I smiled. "The real me returns." But fate wasn't finished yet. That same night, Caesar Conrad-the Alpha every wolf feared-opened his car door and whispered, "Get in." Our gazes collided. The bond awakened. No games. No pretending. Just raw, unstoppable power. "Don't regret this," he warned, lips brushing mine. But I didn't. Because the mate I'd been chasing never saw me. And the one who did? He's ready to burn the world for me.
I watched my husband sign the papers that would end our marriage while he was busy texting the woman he actually loved. He didn't even glance at the header. He just scribbled the sharp, jagged signature that had signed death warrants for half of New York, tossed the file onto the passenger seat, and tapped his screen again. "Done," he said, his voice devoid of emotion. That was Dante Moretti. The Underboss. A man who could smell a lie from a mile away but couldn't see that his wife had just handed him an annulment decree disguised beneath a stack of mundane logistics reports. For three years, I scrubbed his blood out of his shirts. I saved his family's alliance when his ex, Sofia, ran off with a civilian. In return, he treated me like furniture. He left me in the rain to save Sofia from a broken nail. He left me alone on my birthday to drink champagne on a yacht with her. He even handed me a glass of whiskey—her favorite drink—forgetting that I despised the taste. I was merely a placeholder. A ghost in my own home. So, I stopped waiting. I burned our wedding portrait in the fireplace, left my platinum ring in the ashes, and boarded a one-way flight to San Francisco. I thought I was finally free. I thought I had escaped the cage. But I underestimated Dante. When he finally opened that file weeks later and realized he had signed away his wife without looking, the Reaper didn't accept defeat. He burned down the world to find me, obsessed with reclaiming the woman he had already thrown away.
© 2018-now CHANGDU (HK) TECHNOLOGY LIMITED
6/F MANULIFE PLACE 348 KWUN TONG ROAD KL
TOP
GOOGLE PLAY